Column

Ik pas voor pasjes

“Dat is dan veertien vijfennegentig”, zei de caissière van de voordeeldrogisterij terwijl ze mijn aankopen in een plastic tasje deed.
“Wilt u profiteren van extra voordeel?”
Dat beschouwde ik als een retorische vraag en dus keek ik haar wat sullig aan. Ze vatte het goed op.
“Kijk,” zei ze zonder een verder antwoord af te wachten, “met iedere tien euro die u hier besteedt, spaart u voor extra voordeel. Het enige dat u hoeft te doen, is dit pasje activeren via internet en het aan de kassa laten zien iedere volgende keer dat u hier iets koopt.”
Ik bedankte haar, nam mijn plastic tasje en het pasje van de balie en vertrok. Volgende stop: de kapper.

Ik werd er alleraardigst ontvangen, in de vernieuwde salon met massagestoelen. Gezellig keuvelend bracht een vaardige blondine mijn wilde krullenbos terug naar aanvaardbare proporties. Ik keek goedkeurend in de spiegel en volgde haar naar de kassa.
“Heeft u al een pasje van ons?” vroeg ze ineens.
Weer die onnozele blik.
“Daarmee spaart u punten die u kunt inleveren tegen producten of contante korting.”
En weer verliet ik de zaak met een pasje.

Dat was een halfjaar geleden. En de pasjes? Geen idee waar ze zijn, maar ik kan er wel een slag naar slaan. Waarschijnlijk ergens in een la, samen met de pasjes van de bakker, de viskraam op de markt, Christine le Duc, een stuk of wat tankstations waar ik weleens kom en van twee van mijn favoriete boetieks.

Vroeger had ik slechts drie pasjes: mijn bankpas, een creditcard en een pasje van de videotheek. Lekker overzichtelijk allemaal. Totdat het pasjesvirus wild om zich heen begon te grijpen. Tegenwoordig lijkt het wel een epidemie! Mijn oude vertrouwde portefeuille moest ik al vervangen. Er konden niet genoeg pasjes in. Maar zelfs dat is niet genoeg. Dus schafte ik een mapje aan speciaal voor pasjes. Alleen maar pasjes. Van de ziektekostenverzekeraar, van het ziekenhuis, voor de slagboom, voor pechhulp onderweg, als rijbewijs, voor de service aan mijn auto en ga zo maar door. Je zou er toch onpasselijk van worden.

Het is genoeg geweest. Vol is vol. Mijn tas puilt uit van de pasjes. Ik zie bij wijze van spreken door de passen mijn tas niet meer. En denk je dat ik er ooit één kan vinden als ernaar gevraagd wordt? Daarom mijn oproep aan winkeliers, bedrijven en andere instanties: bespaar me uw pasjes. Zet me in de computer, mail me af en toe een kortingscoupon of geef me gewoon een lage prijs en goede service als u me zo graag aan u wilt binden, maar stop alstublieft de pasjesterreur.

Moe word ik ervan. Maar daar hadden we een pasklare oplossing voor: even relaxen. Dus meldden wij ons bij de sauna hier in de buurt. Een hele middag lang kuurden we ons een ongeluk, totdat we, helemaal rozig en met perzikhuidjes, sluitingstijd zagen naderen. We pakten onze spullen in en vroegen bij de receptie om de rekening. “Komt u hier vaker?” vroeg de dame achter de kassa. Volkomen argeloos antwoordden wij ‘ja’. En toen gebeurde het: ze dook achter de toonbank en kwam te voorschijn met een… pasje. “Dan geef ik u een vaste-klanten-pas mee…” Ik onderbrak haar. “Laat maar,” zei ik resoluut, “ik pas.”

Tegenstanders gezocht

column wordfeud scrabbleKanaat – nee, geen typefout – ooit van gehoord? Het betekent, en ik citeer: een door een Khan geregeerd Centraal-Aziatisch feodaal vorstendom. Da’s goed om te weten, hè? En taxa dan? Dat is het meervoud van taxon, een taxonomische eenheid of taxonomische groep, oftewel een groep organismen die door een taxonoom geacht worden een te onderscheiden eenheid te vormen. Ja, echt. We doen er nog een: qat. Qat is een licht stimulerende drug, het blad van de gelijknamige plant. Je wist het niet, hè? Zit ik hier gauw even wat gaten in je algemene ontwikkeling voor je te dichten. En dat allemaal dankzij de elektronische versie van mijn meest favoriete spel aller tijden. Is het niet geweldig? O, en geen dank.

Hoe vaak heb ik niet met die welbekende donkergroene doos in mijn handen gestaan? En hoe vaak ben ik niet afgescheept met smoezen als ‘ik heb mijn bril niet bij me’, ‘ik heb zo een afspraak bij de dokter’ en ‘ik ben analfabeet’? Ik heb gedomme speciaal kinderen op de wereld gezet in de hoop dat, als ik maar lang genoeg zou wachten, ze dan vanzelf een leeftijd zouden bereiken waarop ze het tegen mij op konden nemen in het nobele scrabble-spel. Maar helaas, ook de nazaten waren altijd druk, ziek, zwak of misselijk en het groen gedoosde beduimelde spel, met slechts mijn vingerafdrukken erop, staat al meer dan tien jaar stof te verzamelen in een kast op zolder. Arme ik.

Jarenlang moest ik met lede ogen aanzien hoe mijn vocabulaire, bij gebrek aan oefening, verstofte en verstokte, hopeloos verouderde en degenereerde. Idioom, jargon en woordenschat zag ik zo uit mijn handen glippen. Tot stof, tot as, verpulverd, vergaan. Ik heb er gewoon geen woorden voor. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij en die redding kwam uit onverwachte hoek.

Geen opvouwbaar stevig kartonnen speelbord, geen houten letterblokjes, geen hardplastic standaardje waar zeven letters op passen en geen zandloper. En zelfs geen – godbetert – lijvige naslagwerken om de woordenstrijd te beslechten. Wel een schermpje met zo veel mogelijk pixels en een paar lenige vingers. De moderne variant van scrabble heet wordfeud en wordt gespeeld met smartphones.  En laat ik die nu, dankzij een vrijgevige provider, ook één bezitten.

Ik blijk niet de enige te zijn met heimwee naar de bordspelklassieker. Nu de stoffige doos een hippe, digitale opvolger heeft, komen ze uit hun holen gekropen, de letterleggers, de woordenwisselaars. Overal verschijnen oproepjes van wordfeuders op zoek naar tegenstanders. Op Twitter, op Facebook; de revival van hét woordspel is onstuitbaar. En dat is natuurlijk een goede zaak. Spellen met die handel, graven in die woordenschat! Ik zeg: alle middelbare scholieren verplicht wordfeuden met hun leraar Nederlands en er is weer hoop voor de Nederlandse taal.

Voor mij is een langgekoesterde wens uitgekomen. Voorbij zijn de tijden van smeken en leuren. Dankzij de digitale snelweg heb ik altijd mijn scrabble-bord op zak en is er altijd een tegenstander voorhanden. En een scheidsrechter trouwens ook. Hoeven we daar alvast geen woorden aan vuil te maken.

Ik werk weer aan mijn woordenschat. De winst tot op heden: kanaat, taxa en qat. Die krijg je alvast cadeau van me. Er is vast nog veel meer woordenleuks te ontdekken, maar daar moet je wel wat voor doen. En daarom daag ik je uit: wordfeud met mij! Voeg nu de daad bij het woord en ontdek zelf hoeveel woorden je nog kan maken met een Q of een X. Laat mij letterlijk alle hoeken van het speelbord zien en ik zal je belonen met mijn origineelste woorden. Erewoord!

Stop het schreeuwschrijven

“Ik heb er in zin!!!!!!!!!!!” schreef een vriendin.
“Fijne vakantie!!!!!!!!!!!!!!!” wenste een ander me.

Valt jou ook iets op aan voorgaande zinnetjes? Dat er meer uitroeptekens in staan dan letters? Wat is dat toch dat we massaal een zwaar vingertje krijgen als we op ons toetsenbord in de buurt van het uitroepteken komen?

Het uitroepteken is een fijn instrument in onze taal. En zó eenvoudig: men trekke een verticaal streepje, men zette daar een puntje onder en klaar is de bekrachtiging van uw zin! Of je doet shift 1 voor hetzelfde resultaat, maar dan digitaal. Het uitroepteken wordt, zoals de naam al zegt, gebruikt achter een uitroep; een korte zin of kreet met emotionele lading. ‘Help!’ of ‘Shit!’ bijvoorbeeld. Een uitroepteken geeft aan dat de voorafgaande woorden met enige stemverheffing dienen te worden uitgesproken. Een uitroepteken is de manier bij uitstek om die stemverheffing te vertalen naar geschreven tekst. En dat allemaal met één teken.

Prachtig dingetje dus, dat uitroepteken. Maar uit de functie vloeit als vanzelf dat we het bij uitzondering moeten gebruiken. We gaan tenslotte niet alles op hoge toon tegen elkaar verkondigen. Daar zijn onze stembanden niet op berekend. En het gehoor van de toegesproken persoon ook niet. Bovendien verliest zo’n uitroep al snel aan kracht als die meer regel dan uitzondering is. Zo lijkt het alsof we constant aan het bekvechten zijn of anderszins overdreven emotioneel uit de hoek komen. Is dat nou echt de manier waarop we aandacht willen vragen?

Nee, natuurlijk niet. We houden ons rustig en spreken op bedaarde toon. Want eigenlijk is alles wat we te melden hebben belangrijk. En we zijn allemaal beschaafde en weldenkende mensen die elkaar met respect behandelen. Die geëmotioneerde uitvallen bewaren we wel voor de momenten dat we echt gehoord willen worden (Hallo! Contact!) of we buiten onszelf zijn van vreugde (Hoera!), verdriet (Boehoe!) of woede (Klootzak! Kutwijf!). Wie altijd met klem communiceert, wordt heus niet meer serieus genomen.

Maar waarom doen we het als we schrijven dan wel? Ik begrijp het enthousiasme van mijn vriendinnen, ik ken ze tenslotte, maar waarom al die uitroeptekens in clusters van tien of meer achter ieder onbenullig zinnetje? Een woord schaamt zich toch rot als het zo’n hele rij leestekens achter zich ziet staan? Alsof het zelf helemaal geen betekenis meer heeft.

Tot voor kort zag ik het verschijnsel alleen in persoonlijke correspondentie en dan voornamelijk in e-mailverkeer. Op zich al geen pretje, al die toegeschreeuwde kattebelletjes, maar nu duikt het verschijnsel ook al in zakelijke correspondentie op. Zo kreeg ik laatst een uitnodiging voor ‘het evenement van het jaar!’. Een zakenpief nodigde me op hittepetitterig toontje uit voor zijn netwerkbijeenkomst met de termen ‘Mis dit niet!’, ‘Jij komt toch ook!’, ‘Meld je nu aan!’, ‘Parkeren is gratis!’, ‘Zet de datum in je agenda!’ en ‘Tot dan!’. En dat allemaal achter elkaar. “Nou, schreeuw niet zo! Ik ben niet doof!” fulmineerde ik in gedachten. Om zenuwachtig van te worden. Associaties met Emile Ratelband en Tjakka drongen zich op en ik bedankte zwijgend voor de eer door het epistel regelrecht aan papierrecycling toe te vertrouwen.

De devaluatie van het uitroepteken, is het een onontkoombaar proces? Ik hoop van niet. Gun ons, in deze maatschappij waar alles hard lijkt te moeten, het geschreven woord als toevluchtsoord, zonder dat de woorden oorverdovend van papier of beeldscherm knallen. Daarom mijn oproep: geniet van het uitroepteken, maar doe het met mate. Stop met schreeuwschrijven. Ssst, de buren slapen.

 

 

Een woord om van te smullen

Van alle dingen die leuk zijn in dit leven is taal wel echt léúk leuk. Want met taal kun je spelen. Je kunt ermee goochelen, knutselen, breien en boetseren. Taal is geen exacte wetenschap. Niks geen E=MC², maar een flexibel systeem dat meebeweegt met de gebruikers. Je kunt het opvoeden en veranderen al naar gelang de behoefte. Kom daar maar eens om in de natuurkunde.

Nee, dan taal. Je kunt twee woorden samensmelten tot één nieuw woord, je kunt experimenteren met voornaamwoorden, net zo lang tot Onze Taal het goed rekent, je kunt consequent zondigen tegen de regels voor de tussen-n, net zo lang tot de opstellers van het Groene Boekje zwichten, en je kunt compleet nieuwe woorden bedenken. En dat is maar goed ook, want de wetenschap staat ook niet stil en er is nogal eens een nieuw woord nodig.

Of je importeert het een en ander uit een andere taal of cultuur. Lekker hip. Een decennium of twee geleden kon je nog geen fittie hebben met je mattie. Althans niet in Nederland. Nu kun je kiezen: ruzie met je vriend, heibel met je maat, gebrouilleerd zijn met een kompaan of dus die fittie met je mattie. De menukaart van onze taal heeft voor ieder wat wils.

In mijn persoonlijke kring waart ook zo’n nieuw woord rond. Niemand weet echt waar het vandaan komt en – eerlijk is eerlijk – het heeft ook nog geen plaats in Van Dale kunnen veroveren, maar het heeft wel een duidelijke functie. Blerf is hét woord voor een onduidelijke substantie die kan variëren van vloeibaar tot halfvast, soms met vastere stukjes erin. Het slaat vaak op iets eetbaars of wat daar voor door moet gaan. Blerf klinkt een beetje als kotsen en dat is niet geheel toevallig, want een echte delicatesse is blerf meestal niet. En zie daar: daar zouden we wel eens de etymologische oorsprong te pakken kunnen hebben.

Soms is een woord zo alleszeggend dat je je erover verbaast dat het niet allang door iedere Nederlander, inclusief de opstellers van Van Dale, geadopteerd is. Blerf is zo’n woord. Wie eenmaal gewend is aan blerf herkent het uit duizenden en kan nooit meer zonder. Of je moet net als hierboven de moeite willen nemen om er een hele alinea aan te wijden. Maar zeg nou zelf: waarom moeilijk doen als het met één woord kan?

Stop, ander woord

Een verplichting, maar wel een leukeVoor het weekend stonden een bezoek aan een evenement, een afspraak met vrienden en een kinderverjaardag op de agenda. Twee dagen vol leuke, gezellige dingen en tussendoor nog even relaxen. Precies zoals een weekend voor mij moet zijn. En toen kwam er nog een uitnodiging: of ik zin had in een gezellig samenzijn inclusief diner met schrijfcollega’s, in Utrecht. ‘Zin wel,’ schreef ik terug, ‘maar geen tijd. Mijn weekend zit al vol met verplichtingen.’ Ik verzond het bericht en had meteen spijt van mijn woordkeuze. Want ‘verplichtingen’ heeft iets negatiefs in zich, vind ik. Iets verplichts, iets met moeten, iets opgelegds, en dat is nou juist niet wat ik over wilde brengen.

Ik kon niet meer terug, de mail was al verzonden en een halszaak vond ik het nou ook weer niet. Het woord wordt wel vaker in die context gebruikt. Maar het heeft me toch aan het denken gezet. Zou het niet leuk zijn als we met één woord aan konden geven dat de bedoelde ‘verplichtingen’ vooral erg leuk en gewenst zijn? Ik dacht aan ‘afspraken’, maar dat vind ik te neutraal. ‘Genoegens’, schoot me te binnen, maar dat vind ik te breed en te vrijblijvend. ‘Leuke plannen’, was mijn laatste bod, maar dat zijn dan weer twee woorden. Kijk ik er nou zo overheen of hebben we echt geen woord voor ‘leuke dingen die je op afspraak doet’?

Hoe zou jij ‘verplichtingen, maar dan leuk en uit vrije wil’ het liefst omschrijven? Met een bestaand woord of moeten we er iets nieuws voor bedenken?  Reageer!

Frêet op oew moers taol

Tilburgs Dikteej 2 nov 2011Ons oopaa, ons oomaa, ons paa èn ons moeder; ammòl Tilbörgers, èchte Krèùkezèèkers. Èn ikke dus ok. Mar ons moeder wò nie dègge dè ok aon ons kont heure. En dörrum moese wij hôoghòllaans praote tèùs. Die zaachte g, daor kwaame we mar nie vanaaf, mar ‘höllie’ in plaots van ‘zij’ en ‘gij’ vur ‘jij’, dè von ze nie zo jofel. En wè kwattastroojsel waar, dè wies toch gin man assie nie öt Tilbörg kwaam.

Ik waar nog mar en klèèn mèske toen al dèùdelek wier dèk ene taoleknobbel ha. Toen ik vur et irst naor de kleuterschool gewist waar, vroeg ons moeder: “Èn? Hoe was et?” “Hil goed”, zeej ik, “Ik kan al schrèève.” Èn dè waar en vurbòje van en schoolkarjèère waorin taole de boovetôon vuurde. Vur ons moeder ok en geruststèlling: dè plat Tilbörgs zotter zo wel ötgeramd worre.

Èn dè waar ok zôo. Mèn leeraare deeje der wèèrk zôo goed – èn ikke sewèèle ok – dègge bekaant nie kont heure waor ik vandaon kwaam. Ons moeder waar verrèkkes frêet op der dochter. Todèk in de vierde klas ene leraar Nederlands kreeg dieter en hil aandere kèèk op taol op nao hield. Irst vòn ik em mar enen appetjoek, den dieje. Wèttie deej waar de omgekirde wèèrelt. Et Aaveej Marieja, de gròndwèt, de kraant, al wèttie in zen haande kreeg, vertaoldenie in et Tilbörgs. Ge kunt oew èège wel vurstèlle dèk daor van stòn te kèèke. Ha ons moeder dan gin gelèèk?

In irste instaansie gaaf ik der gin sjoege aon. Et zo toch nie zo zèèn dèk al die moejte vur niks gedaon ha? Mar soms zattie, vurdè ons klas binnenkwaam, dingskes in et Tilbörgs te vertaole en dan bleef ik toch èkkes staon kèèke hoe dèttie dè deej. Soms liet ie dan heure hoe dèt klonk. Èn dè von ik zo verrèkkes leutig, dètter toch een vonkske ooversprong.

Meej men dieplooma op zak ging ik naor Amsterdam om te studeere aon de uunieversietèèt. Wir en taol, want dè waar waor ik goed in waar. Dus begon ik òn Zweeds. Ik waar de innigste Braobantse in et gruupke èn al die aander vonnen et ok leutig om naor mèn Tilbörgse zinnekes, as “Bettie akkum aai?” èn “Ik stòn tèène febriek en ik kossem nie bekweeke krèège” te löstere. Gelaage dèmme hèbbe!

Un hil jaor hèk in et taolepraktiekum gezeete, todèk de Zweedse taol maachteg waar. Wè denkte wè? Toen ik et algemeen beschaofd Zweeds onder de knie ha, begos et gemèùkel. We moese diejalèkte leere, want dès de lèèvende taol, zeeje ze daor. En ze zin ok dèk as Braobantse verrèkkes veul mazzel ha, omdèk die moejleke Zweedse klaanke al onder de knie ha. Èn toen viel bij mèn et kwartje.

Ik wit nie woar gij vandaon komt, mar bij jöllie hèbbe ze vast ok wèl zon tòltje dèt wèrd is om in lèève te houwe. Tis tòch en stukske kultuur dègge van oew aawlöj meegekreege hèt, zôo gezeet. Ge kunt er nog wel es vurdeel öthaole, nèffe dètter hil wè te laage valt meej die binnelaanse vrèmde taole. En daorum ben ik sinds dieje tèèd himmòl tweejtoalig: Nederlands en Tilbörgs, ik praot en schrèèf et allebaaj vloeiend.

Column: Ken ik u niet ergens van?

Ik weet niet wat het is, maar ze doet me wat. Altijd als ze langsloopt, houden mijn vingers even stil op het toetsenbord van mijn laptop en dan kijk ik naar haar. Soms ziet zij mij ook terwijl ik aan het werk ben in mijn thuiskantoor, maar meestal niet. En juist dan, op die momenten dat ze met haar blik op de trottoirtegels gericht gestaag doorstapt, volg ik haar met mijn ogen tot ze uit het zicht verdwijnt en denk: ‘Ken ik u niet ergens van?

Ik zie haar bijna elke dag. Soms kom ik haar tegen op straat en soms beent ze langs mijn huis. Zou ze in de buurt wonen? Dat moet haast wel. Kennen doe ik haar niet, dat weet ik zeker, maar ik zou haar uit duizenden herkennen. Want ze heeft iets vertrouwds, iets wat ik niet kan benoemen. Iets wat me een brok in mijn keel kan bezorgen als ze zo breekbaar en indringend naar me lacht. We hebben nog nooit een woord met elkaar gewisseld, maar altijd neemt ze de moeite om haar blik op te richten en vriendelijk naar me te knikken. Een woordeloze groet, met een lachende mond en glinsterende ogen die iets melancholisch hebben. En steeds ligt die vraag op mijn lippen, die vraag die ik niet durf te stellen.

Hoe vaak ik haar al niet voorbij heb zien komen, in zomer en winter, bij wind en regen, altijd te voet en altijd alleen. Soms draagt ze een zwarte halflange jas, soms een linnen broek en gympies. Ik graaf in mijn geheugen, maar het zegt me allemaal niets. En toch klopt er iets niet.

Ze is klein van stuk en tenger. Haar lange, donkere haar draagt ze altijd in een slordige knot in haar nek. Als ik voorzichtig mag schatten, te oordelen aan de groeven en lijnen in haar gezicht en haar iets voorovergebogen houding, dan denk ik dat ze vooraan in de zestig is. Ik ken ze wel, de zestigers zoals zij. De sporen van decennia, maar nog altijd kwiek en fit. Haar benen houden altijd een gelijkmatig, stevig tempo aan op weg naar Joost weet waar. Dikwijls heb ik me afgevraagd waar ze naartoe gaat, vaker nog waar ze vandaan komt.  Het antwoord blijft uit en de vragen worden talrijker.

Nu het kouder wordt, zie ik haar met een grote gebreide sjaal die ze iedere dag verder over haar oren trekt. Ze houdt hem op zijn plaats met haar schouders die ze hoog optrekt, haar handen zo diep in haar zakken dat ik de stof van haar jas zie trekken. Vanmorgen kwam ik haar weer tegen. Aan haar winters gerei had ze een muts toegevoegd; zo’n grof  gebreide waarvan je de rand naar believen kunt omslaan. Zo een die zich lekker over je oren voegt, in een kleur die haar van ver al die warme gloed gaf die ik vaak voelde als ik haar tegenkwam. Ik was verbaasd dat ik haar herkende op die afstand. De muts die haar donkere haar zo goed verborg, maakte haar anders. De kleur, besefte ik ineens, het was de kleur. De muts had de kleur van mijn moeders haar. In de twee stappen die ik nodig had om bij haar te komen, werd ze een ander mens. Haar postuur, haar manier van lopen, die ogen, die lach. In de langgerekte tel waarin we elkaar passeerden, viel alles op zijn plaats.

Achter mij stapt zij stevig door, weet ik als ik niet meer naar mijn voeten staar die plotseling stil gevallen zijn. Ik tuur achterom en steek onwillekeurig mijn hand uit. ‘Zeg…’, adem ik nauwelijks hoorbaar in de mist. Ze kijkt niet om. De rest van mijn vraag slik ik in. Ik weet het antwoord al.

 

Aan de nieuwslijn

NieuwsdieetNet toen ik dacht: ‘Ik ga maar eens op nieuwsdieet’, dacht ik erachteraan dat dat niet mee zal vallen. Ik ben namelijk nogal nieuwsgierig van aard. Nieuwsgierig. Eigenaardig woord eigenlijk, vooral als je de twee delen uit elkaar haalt en de betekenis ervan apart opzoekt. Nieuws, dat weten we allemaal nog wel. Maar gierig? Gierig betekent het tegenovergestelde van gul of, zoals Van Dale dat zo mooi verwoordt: ‘niet bereid iets van zijn bezit af te staan’. Een andere betekenis ken ik niet. En Van Dale ook niet. Daar worden we dus op het verkeerde been gezet. Betekent nieuwsgierig dan ‘niet bereid iets van het nieuws af te staan’? We weten allemaal dat dat niet waar is. Nieuws is van iedereen, niemand kan ‘het nieuws’ voor zichzelf houden. Zo werkt het niet. Maar hoe komen wij, etymologisch gezien, dan aan het woord nieuwsgierig?

Het antwoord is simpel: gierig had lang geleden nog een andere betekenis: begerig naar, en hoewel ik daar in mijn naslagwerken niets over terugvindt, durf ik er een lief ding om te verwedden dat het één een verbastering is van het ander. De kern ‘gier’ of ‘geer’ is in beiden aanwezig. Vroeger sprak men ook nog wel van een ‘nieuwsgier’ om een naar nieuws hongerend persoon aan te duiden, maar dat is net zo ouderwets als het klinkt. Vergelijkbaar zijn trouwens woorden als wraakgierig en leergierig. En wie nieuwschierig spelt, zit helemaal fout.

Dit nieuwsgierig Aagje gaat dus even letten op wat zij qua nieuws tot zich neemt. Het wordt me wel eens te veel. Even wat minder van alles, ter bevordering van het algemeen welbevinden en het goede humeur in dit donkere jaargetijde. Want laten we wel wezen: om vrolijk van te worden is het meestal niet. Op nieuwsdieet dus. Dat woord staat – voor zover ik weet – nog niet in de woordenboeken, maar dat is slechts een kwestie van tijd.

Kenakken op de knuppemutter

“Waarom heb jij het steeds over kenakken als je Draw Something speelt?” vroeg mijn zoon laatst.
“Omdat je broertje dat, toen hij klein was, zei als hij tekenen bedoelde”, antwoordde ik en boog me weer over mijn iPad.
Hij keek me niet-begrijpend aan.
“We vonden dat een leuk woord en dus hebben we het erin gehouden”, legde ik uit.
Hij trok een raar gezicht en schokschouderde even voordat hij zich omdraaide en de kamer uitliep.
Ik keek hem onthutst na. Daar ging de grote vent die ons jaren geleden verblijdde met autoschoenen  en tietenshirt. Zou hij het echt niet begrijpen?

Voor die enkeling die het nog niet wist, wil ik het hier best nog een keer zeggen: ik houd van taal. Nee, dat is een understatement: ik ben gek op taal. En ik houd evenredig veel van taalkunstenaars. Mensen die creatief met taal omgaan, die de taal in dienst stellen van hun verbale uitingen.  Soms is die taal niet helemaal toereikend en dan moet je zelf aan de slag. Van dat soort creativiteit, daar kan ik ongekend vrolijk van worden. En kinderen blijken daar van nature bijzonder goed in.

Helemaal eerlijk is het niet, dat geef ik toe. Kinderen worden in de regel niet geboren als taalkunstenaars. Het is meer hun gebrek aan taalkennis en -ervaring in combinatie met hun onbevangenheid die hen ertoe drijft de gaten in hun vocabulaire zelf maar te dichten. Evenzogoed zijn sommige van die vondsten ronduit de moeite waard. Neem nou de eerder genoemde voorbeelden. “Mam, heb jij een nieuw tietenshirt?” vroeg mijn zoon toen hij een jaar of vijf was. En inderdaad het shirt was nieuw en ik ben gezegend met een royale bos hout voor de deur. Vat u ‘m? Autoschoenen ontstond toen bij hem het juiste woord voor rolschaatsen ontbrak en hij ze toch graag voor zijn verjaardag wilde. Het heeft even geduurd voordat ik in de gaten had wat hij bedoelde, maar sindsdien verdient het woord een ereplaatsje in ons idioom. Net als bakkes koffie, vliegennepper en doorzichtbaar, een twijfelgevalletje tussen doorzichtig of onzichtbaar. Of betereren, een combinatie van repareren en verbeteren. Subtiel, maar doeltreffend.

En dan zijn er nog de woorden die ontstaan omdat het origineel simpelweg te moeilijk is voor de categorie van pakweg twee- tot zesjarigen. Knuppemutter bijvoorbeeld. Betekent computer. Veel leuker toch? Of miniminimumfolie, bamieknoei – of barbieknoei – niesnas en mienaasjememikkenis, vroeger de favoriete avondprak van mijn oudste zoon – spinazie met vissticks – en vanwege de fijne combinatie voor hem één woord. Dat soort dingen wil je toch in ere houden? En als een vijfjarige minidiva je merrie kriskras wenst, wil je toch nooit meer anders?

Om even terug te komen op dat kenakken: ik vond tekenen altijd al een ontoereikend woord. Als ik in Van Dale kijk, vind ik al vier verschillende betekenissen. De activiteit waarbij je dus pen, potlood of stift ter hand neemt en iets al dan niet figuratiefs op papier vastlegt, heeft dus niet eens een eigen woord in de Nederlandse taal. Daar heeft een van onze nazaten een jaar of tien geleden een oplossing voor bedacht: kenakken. Sindsdien zijn wij nooit meer in de war.

En daarom is onze vocabulaire dus nog steeds doorspekt met zulk soort kindervondsten. Om te bewaren voor het nageslacht, zeg maar. Ter leringh ende vermaeck. En – waarom niet? – ter aenvullingh van de Van Daele.

Zo, en wilt u dan nu zo vriendelijk zijn om me even toe te voegen in Draw Something? Kunnen we lekker een potje kenakken.

 

Deze column verscheen eerder op www.fok.nl.

 

De groene terrorist

Ik schuifel naar de rand van de steiger en kijk naar beneden. Wat ik zie is groen, woekerend groen, zo ver ik kijken kan. Van de bodem van de sloot tot aan de oppervlakte. Eindeloos, hopeloos groen.

Het verhaal gaat dat ooit, niet eens zo lang geleden, een liefhebber van exotische vissen zijn oogappeltjes van een fris aquarium wilde voorzien en de vervuilde inhoud – inclusief vegetatie, exclusief vissen – achteloos in de sloot dumpte. Het moet zo’n sloot geweest zijn als deze waar ik nu over mijn in slippers gestoken voeten in sta te turen. Misschien wel dezelfde. Er zijn er talloze hier en ze monden allemaal uit op de Loosdrechtse plassen.

Ken je het spul? Vroeger, toen goudvissen nog de enige huisdieren waren waar ik mijn kinderen de verantwoording over durfde te geven, kocht ik het wel eens bij de dierenwinkel. Dan legde ik twee kwartjes – ja, zo lang is het geleden – op de toonbank en liep vervolgens de winkel uit met een vochtig plastic zakje gevuld met sliertig groen. Dat herhaalde zich iedere twee weken. Kreeg ik nu twee kwartjes – vooruit, 20 eurocent – voor iedere sliert in deze sloot, dan zou ik een nieuwe boot kunnen kopen. Nooit heb ik de naam van het spul geweten, maar nu ken ik die maar al te goed: Cabomba, de plaag van de Loosdrechtse plassen. De groene terrorist.

Ik hoorde de naam voor het eerst in 2006. Cabomba, een exotische waterplant die het kennelijk ook prima doet als het kwik niet tot tropische waarden stijgt. In Hollandse sloten bijvoorbeeld. Hij tierde welig in het waterrijke hart van ons land, overwinterde dapper mee en stak, als na weken de ijslaag verdwenen was, weerbarstig de kop weer op. Grappig, zo’n uitheemse volhouder, lachten we toen nog. Maar dat was toen.

Nog datzelfde jaar gingen plaatselijke waterbeheerders tot actie over. Ze plaatsten ribben in de besmette sloten om verspreiding te voorkomen. Tevergeefs. Het jaar daarop was de populatie met de helft toegenomen. Er werd gemaaid, gerooid, gespoten. Tevergeefs. Nu lijkt zijn opmars niet meer te stuiten. Loosdrecht en wijde omgeving worden geterroriseerd door dit natuuronheil dat maar niet te bestrijden lijkt, alle inspanningen van waterschappen en lokale overheden ten spijt. Ver van huis en verspeend van natuurlijke vijanden, vond de venijnige woekeraar een bondgenoot in de pleziervaart. Buitenboordmotoren hakten de slierten in stukken en vervoerden ze naar nieuwe wateren om te koloniseren. En nu zitten we pas echt met de gebakken peren.

De liefde is niet wederzijds. De pleziervaart is in gevaar. Het spul slingert zich als lianen om motoren en kielen en houdt daarmee watersporters in zijn greep en op de kant. En zwemmen is ook geen sinecure meer tussen die groene grijparmen. Erger nog: de oorspronkelijke flora, waterlelies en waterdotters, is al drastisch teruggedrongen. Ik kijk nog een keer naar wat eens water was, helder tot op  de turfbodem, vol van vis en ander waterleven. Hier zie je nauwelijks paling meer of snoek of rivierkreeftjes. Ze trokken zich terug voor een plant met territoriumdrift die van de Loosdrechtse plassen een gigantisch aquarium maakte. Voor trópische vissen.

Iemand nog een takje Cabomba voor in zijn aquarium nodig? Laat die 20 cent maar zitten. Je mag het hebben van me. Gratis en voor niks.

 

Uit: ‘Lekkerder dan seks en andere verhalen’, verkrijgbaar via www.estherschrijft.nl, Lezerspunt of boekhandel Selexyz Gianotten Tilburg