Column

Corona-stress

Corona-stressDe vrijdagochtend na carnaval. Een afmelding in mijn mailbox. Iemand vertelt me beleefd dat hij zijn afspraak met mij niet na gaat komen. Niet omdat hij me niet meer aardig vindt of zo. Nee, omdat ik in Tilburg woon.

 

Oh ja, dacht ik, corona is hier.

Dat wil zeggen: er ligt een man in een zwaar geïsoleerde kamer in een Tilburgs ziekenhuis. Omdat Loon op Zand nu eenmaal zelf geen ziekenhuis heeft. Daarin herkende ik toch echt niet de ‘uitbraak’ die de afzegger in zijn mail aanhaalde en ik deed er dus wat lacherig over. Die vibe pikte hij niet op. Dan niet, dacht ik.

Ik zette een kruis in mijn agenda, haalde mijn schouders op en ging wat anders doen.

Burgemeester Weterings deed er later die dag bij een persconferentie op Omroep Brabant heel nuchter over. Man in isolatie, alles onder controle, niks aan de hand. En het leven in Tilburg ging zijn normale Tilburgse gangetje. Diezelfde avond stuurde Willem II – door de ijverige meme-scene in no time verbasterd tot Wuhan II – FC Groningen goed ziek naar huis. Van de drie doelpunten die ze om hun oren kregen, niet van het coronavirus.

Maar dat COVID-19 is wel zo besmettelijk als de pest.

En dat mogen we in dit geval best letterlijk nemen. Dus zaterdag stond heel Nederland zo’n beetje op met drie vragen: ‘Wat hangt ons boven het hoofd?’, ‘Wat kunnen we ertegen doen?’ en ‘Waar kan ik nog handgel krijgen?’ De antwoorden kwamen snel, uit verschillende hoeken en stonden vaak haaks op elkaar.

Wie moeten je dan geloven?

De burgemeester van Tilburg die het openbare leven gewoon door wil laten gaan of de Limburgse lokale overheden die alles willen afgelasten?

Aanvankelijk volgde ik het nieuws op de voet. Daar ben ik mee gestopt. Omdat de bijvangst te overweldigend was. Handgel voor 60 euro per (aangebroken!) fles. Maar het helpt wel. O nee, toch niet. Het Eurovisie Songfestival dat misschien niet doorgaat, de nieuwe James Bond-film die uitgesteld wordt. En de spreekwoordelijke druppel waar mijn emmer definitief van overliep. De voorspelling die vanmorgen in het nieuws voorbijkwam: een nieuwe economische crisis en meer bedrijven failliet. En dat allemaal door een virus dat as we speak 82 mensen ziek heeft gemaakt in ons land.

Ga je mond spoelen, zou mijn moeder zeggen.

Het vervelende van zulk soort voorspellingen is dat als je ze maar lang genoeg herhaalt en genoeg mensen ze geloven, ze vanzelf uitkomen. De kracht van woorden. Laten we elkaar daar nou alsjeblieft niet ziek mee maken. Daar hebben we dat verrekte coronavirus al voor. En dat is zonder dit soort mediagedoe al ellendig genoeg.

Kenakken op de knuppemutter

“Waarom zeg jij eigenlijk kenakken?” vroeg mijn zoon terwijl ik zat te stoeien met het tekentablet dat tot gisteren al jaren op de zolder geparkeerd stond.
“Omdat je broertje dat toen hij klein was altijd zei als hij tekenen bedoelde”, antwoordde ik.
Ik kreeg de ‘ja, en?’-blik retour.
“We vonden dat een leuk woord en daarom hebben we het erin gehouden”, legde ik uit.
Hij trok zijn mondhoeken in afkeuring naar beneden en schokschouderde de kamer uit, de vent die ons jaren geleden verblijdde met autoschoenen. Rolschaatsen. Het duurde even voordat ik die doorhad. Intussen vroeg ik me af of hij zich realiseert dat we zijn vondsten ook nog steeds in ere houden.

Voor die enkeling die het nog niet wist, wil ik het hier best nog een keer zeggen: ik houd van taal. Nee, dat is een understatement: ik ben gek op taal. En ik houd evenredig veel van taalkunstenaars. Mensen die creatief met taal omgaan, die de taal in dienst stellen van hun verbale uitingen. Soms is die taal niet toereikend en dan moet je zelf aan de slag. Van dat soort creativiteit, daar kan ik ongekend vrolijk van worden. En kinderen blijken daar van nature bijzonder goed in.

Oké, ik weet ook wel dat kinderen in de regel niet geboren worden als taalkunstenaars. Dat het meer hun gebrek aan taalkennis en -ervaring in combinatie met hun onbevangenheid is die hen ertoe drijft de gaten in hun vocabulaire zelf maar te dichten. Evenzogoed zijn sommige van die vondsten op z’n minst de moeite waard van het onthouden waard. Wij drinken nog steeds een bakkes koffie, vieren de nijlpaarden in ons leven en bestrijden ongedierte met de vliegennepper.

En dan hebben we nog de categorie woorden waar de gemiddelde twee- tot zesjarige zijn of haar tong over breekt. Zo wordt computer knuppemutter, barbecue barbieknoei en aluminiumfolie miniminumfolie. Niet echt eenvoudiger, wel bijna goed. Het kan ook met een hele zin. Mienaasjememikkenis, vroeger de favoriete avondprak van mijn oudste zoon – spinazie met vissticks – en vanwege de fijne combinatie voor hem één woord. Ook de verhaspeling van een vijfjarige minidiva – merrie kriskras – heeft zich stevig genesteld in ons idioom. Worden we blijer van dan van Vrolijk Kerstfeest.

Om even terug te komen op dat kenakken: ik vond tekenen altijd al een ontoereikend woord. Als ik in Van Dale kijk, vind ik al vier verschillende betekenissen. De activiteit waarbij je pen, potlood of stift ter hand neemt en iets al dan niet figuratiefs op papier vastlegt, heeft dus niet eens een eigen woord in de Nederlandse taal. Daar heeft een van onze nazaten een jaar of vijftien geleden een oplossing voor bedacht: kenakken. Sindsdien zijn wij nooit meer in de war.

En daarom is onze vocabulaire dus nog steeds doorspekt met zulk soort kindervondsten. Om te bewaren voor het nageslacht, zeg maar. Ter leringh ende vermaeck. En – waarom niet? – ter aenvullingh van de Van Daele.

Zo, en als je me nu dan wilt excuseren, dan ga ik weer verder met kenakken op de knuppemutter.

Verloren

Mijn vader was een man van weinig woorden. Hij werd geboren in de oorlog, groeide op als één na jongste in een gezin met twaalf kinderen, trouwde en had daarna meestal genoeg aan de omgevingsgeluiden van een gezin vol vrouwvolk. Dat was de verklaring die hij zelf aanvoerde voor zijn zwijgzame aard als het iemand opviel dat hij zo weinig spraakzaam was. Hij hield er een lijfspreuk aan over: ‘Als je niets te zeggen hebt, houd dan je mond.’

Mijn vader was een werkpaard en hout was zijn materiaal. Meer dan veertig jaar bewerkte hij het met liefde en plezier. Tot zijn lijf zich tegen hem keerde, drie maanden voordat hij de VUT-gerechtigde leeftijd bereikte. Hij werd zo mogelijk nog zwijgzamer, boos op het leven en boos op zijn lichaam omdat ze hem zo onrechtvaardig behandelden.

Toen zijn oudste dochter hem een nier schonk en daarmee het vooruitzicht op een nieuw leven, had hij daar zoals gewoonlijk geen woorden voor. Die had hij ook niet nodig om over te brengen wat hij voelde. Ik wist dat hij me dankbaar was. Dat maakte de verrassing, de kerst na de operatie, er niet minder op.

Toen alle cadeautjes onder de kerstboom uitgepakt waren, haalde hij een klein doosje uit zijn broekzak. ‘Voor jou,’ was het enige wat hij zei terwijl hij het me zonder veel ceremonieel in mijn hand stopte. Onder het dekseltje vond ik een zilveren kettinkje op een bedje van satijn. Aan het kettinkje een zilveren hangertje in de vorm van een nier. Nooit vergeet ik de blik in zijn ogen die zoveel meer zei dan alle woorden van de hele wereld bij elkaar. Een zeldzaam moment van verstandhouding. Ik droeg het vanaf die dag als symbool van die bijzondere gebeurtenis waar we allebei de woorden niet voor konden vinden.

Bijna vier jaar na de operatie haalde de ambulance hem op. Voor de laatste keer, zo zou later blijken. Vier weken duurde zijn martelgang. De bacterie die zijn lijf voorgoed zou slopen, had zijn kans schoon gezien dankzij de anti-afstotingsmedicijnen. Voor het eerst zag ik mijn vader huilen. Het was alsof hij al zijn tranen had bewaard voor dit moment.

Die avond in juli ging ik niet weg na het bezoekuur. We voelden dat zijn strijd ten einde liep. Ik zette mijn stoel zo dicht mogelijk bij zijn bed en nam zijn hand zoals hij dat vroeger zo vaak met die van mij had gedaan. Samen gingen we een lange, onrustige nacht in. Samen zagen we de dageraad. Zonder woorden en voor de laatste keer.

In een kamer vol naasten, geflankeerd door zijn dochters, blies hij die avond zijn laatste adem uit. We voelden zijn angst en zijn onrust. Het laatste beeld dat ik van ons samen heb, is dat ik over hem heen gebogen sta, zijn hand nog steeds in de mijne, zijn ademhaling onrustig terwijl hij zwoegend probeert de dood op afstand te houden, zijn rijzende en dalende borstkas als het enige teken van leven. Toen de laatste ademtocht zijn lichaam verliet, voelde ik een pijn in mijn zij. Het was alsof er iets uit mijn lijf gerukt werd.

Op een zonnige zomerdag namen we afscheid van hem. Die ochtend doorzocht ik in paniek voor de laatste keer de puinhopen in mijn slaapkamer. De inhoud van laden en kasten lag overal verspreid, maar ik vond niet wat ik zocht.

Onder aan de trap hoorde ik mijn man roepen: ‘We moeten gaan.’ Met holle, vochtige ogen staarde ik in de spiegel en zag in een wolk van zwart alleen die kale hals. Het zilveren niertje dat ik die dag zo graag had willen dragen, had ik nergens kunnen vinden. Tegelijk met de man die het me cadeau gedaan had, verdween het uit mijn leven. Weken, maanden, jaren verstreken. Geen enkele zoektocht werd beloond.

Vanmorgen, meer dan 12 jaar na de dag dat we hem ten grave droegen, zocht ik naar een paar oorbellen die ik in gedachten had voor bij de jurk die ik vandaag wilde dragen. Die vond ik niet. Wel het zilveren niertje. Vandaag blijven mijn oren kaal. Maar mijn hals niet.

 

©Esther Nagtegaal – Esther schrijft

Smèèrt dè mar in oew haor

“Mag ik u deze shampoo aanbevelen?” vraagt de hoogblonde kapster beleefd, nadat ze mijn haar eens flink verwend heeft met het spul. “Dit is precies goed voor uw haar. Speciaal voor grove krullen, voedt het haar en geeft volume en veerkracht.” Ik ben onder de indruk, maar toch maar niet. Mijn haar gaat daar namelijk weinig profijt van hebben.

Vier stuks manvolk telt mijn huishouden en dat vind ik heerlijk. Behalve onder de douche. Daar staat, in het daarvoor bestemde mandje, een lila fles met vrouwelijke vormen speciaal voor krullend haar. Speciaal voor mij dus, want het krult alleen op mijn hoofd. Gek genoeg is die fles altijd leeg.

En dat terwijl er al die tijd van die speciale mannenshampoo stond. In een grote fles, zo’n robuuste, met bliksemschichten erop en zo. Een testosteronbommetje met ‘For men’ in grote zilverkleurige letters. Hij staat helemaal vooraan in het mandje ontzettend op te vallen. ‘Pak mij, pak mij!’ schreeuwt het hypermannelijke design, ergonomisch gevormd naar de mannenhand. Maar niet hard genoeg, want zelfs met hun ogen dicht, weten ze mijn fles makkelijker te vinden dan die schreeuwlelijk die vooraan zo de aandacht staat te trekken.

Dat moest anders. Eerst zette ik mijn lila flaconnetje na gebruik zo ver mogelijk achteraan in het mandje, in de hoop dat het zo uit het zicht van man en zoons zou blijven. Toen dat niet hielp beloofde ik dreigend dat iedereen die de fles nog één keer zou gebruiken, de volgende dag wakker zou worden met een kop vol blonde pijpenkrullen. Tevergeefs.

En dus deed ik wat een rechtgeaarde Tilburgse in zo’n situatie doet. Ik nam een watervaste stift, koerste richting badkamer en schreef met vinnige letters en in correct Tilburgs ‘Vur mèn’ op de fles. Wasgetekend: Esther/mama. Kijk, dat viel op. Maar of het zal helpen?

Ik pas voor pasjes

“Dat is dan veertien vijfennegentig”, zei de caissière van de voordeeldrogisterij terwijl ze mijn aankopen in een plastic tasje deed.
“Wilt u profiteren van extra voordeel?”
Dat beschouwde ik als een retorische vraag en dus keek ik haar wat sullig aan. Ze vatte het goed op.
“Kijk,” zei ze zonder een verder antwoord af te wachten, “met iedere tien euro die u hier besteedt, spaart u voor extra voordeel. Het enige dat u hoeft te doen, is dit pasje activeren via internet en het aan de kassa laten zien iedere volgende keer dat u hier iets koopt.”
Ik bedankte haar, nam mijn plastic tasje en het pasje van de balie en vertrok. Volgende stop: de kapper.

Ik werd er alleraardigst ontvangen, in de vernieuwde salon met massagestoelen. Gezellig keuvelend bracht een vaardige blondine mijn wilde krullenbos terug naar aanvaardbare proporties. Ik keek goedkeurend in de spiegel en volgde haar naar de kassa.
“Heeft u al een pasje van ons?” vroeg ze ineens.
Weer die onnozele blik.
“Daarmee spaart u punten die u kunt inleveren tegen producten of contante korting.”
En weer verliet ik de zaak met een pasje.

Dat was een halfjaar geleden. En de pasjes? Geen idee waar ze zijn, maar ik kan er wel een slag naar slaan. Waarschijnlijk ergens in een la, samen met de pasjes van de bakker, de viskraam op de markt, Christine le Duc, een stuk of wat tankstations waar ik weleens kom en van twee van mijn favoriete boetieks.

Vroeger had ik slechts drie pasjes: mijn bankpas, een creditcard en een pasje van de videotheek. Lekker overzichtelijk allemaal. Totdat het pasjesvirus wild om zich heen begon te grijpen. Tegenwoordig lijkt het wel een epidemie! Mijn oude vertrouwde portefeuille moest ik al vervangen. Er konden niet genoeg pasjes in. Maar zelfs dat is niet genoeg. Dus schafte ik een mapje aan speciaal voor pasjes. Alleen maar pasjes. Van de ziektekostenverzekeraar, van het ziekenhuis, voor de slagboom, voor pechhulp onderweg, als rijbewijs, voor de service aan mijn auto en ga zo maar door. Je zou er toch onpasselijk van worden.

Het is genoeg geweest. Vol is vol. Mijn tas puilt uit van de pasjes. Ik zie bij wijze van spreken door de passen mijn tas niet meer. En denk je dat ik er ooit één kan vinden als ernaar gevraagd wordt? Daarom mijn oproep aan winkeliers, bedrijven en andere instanties: bespaar me uw pasjes. Zet me in de computer, mail me af en toe een kortingscoupon of geef me gewoon een lage prijs en goede service als u me zo graag aan u wilt binden, maar stop alstublieft de pasjesterreur.

Moe word ik ervan. Maar daar hadden we een pasklare oplossing voor: even relaxen. Dus meldden wij ons bij de sauna hier in de buurt. Een hele middag lang kuurden we ons een ongeluk, totdat we, helemaal rozig en met perzikhuidjes, sluitingstijd zagen naderen. We pakten onze spullen in en vroegen bij de receptie om de rekening. “Komt u hier vaker?” vroeg de dame achter de kassa. Volkomen argeloos antwoordden wij ‘ja’. En toen gebeurde het: ze dook achter de toonbank en kwam te voorschijn met een… pasje. “Dan geef ik u een vaste-klanten-pas mee…” Ik onderbrak haar. “Laat maar,” zei ik resoluut, “ik pas.”

Tegenstanders gezocht

column wordfeud scrabbleKanaat – nee, geen typefout – ooit van gehoord? Het betekent, en ik citeer: een door een Khan geregeerd Centraal-Aziatisch feodaal vorstendom. Da’s goed om te weten, hè? En taxa dan? Dat is het meervoud van taxon, een taxonomische eenheid of taxonomische groep, oftewel een groep organismen die door een taxonoom geacht worden een te onderscheiden eenheid te vormen. Ja, echt. We doen er nog een: qat. Qat is een licht stimulerende drug, het blad van de gelijknamige plant. Je wist het niet, hè? Zit ik hier gauw even wat gaten in je algemene ontwikkeling voor je te dichten. En dat allemaal dankzij de elektronische versie van mijn meest favoriete spel aller tijden. Is het niet geweldig? O, en geen dank.

Hoe vaak heb ik niet met die welbekende donkergroene doos in mijn handen gestaan? En hoe vaak ben ik niet afgescheept met smoezen als ‘ik heb mijn bril niet bij me’, ‘ik heb zo een afspraak bij de dokter’ en ‘ik ben analfabeet’? Ik heb gedomme speciaal kinderen op de wereld gezet in de hoop dat, als ik maar lang genoeg zou wachten, ze dan vanzelf een leeftijd zouden bereiken waarop ze het tegen mij op konden nemen in het nobele scrabble-spel. Maar helaas, ook de nazaten waren altijd druk, ziek, zwak of misselijk en het groen gedoosde beduimelde spel, met slechts mijn vingerafdrukken erop, staat al meer dan tien jaar stof te verzamelen in een kast op zolder. Arme ik.

Jarenlang moest ik met lede ogen aanzien hoe mijn vocabulaire, bij gebrek aan oefening, verstofte en verstokte, hopeloos verouderde en degenereerde. Idioom, jargon en woordenschat zag ik zo uit mijn handen glippen. Tot stof, tot as, verpulverd, vergaan. Ik heb er gewoon geen woorden voor. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij en die redding kwam uit onverwachte hoek.

Geen opvouwbaar stevig kartonnen speelbord, geen houten letterblokjes, geen hardplastic standaardje waar zeven letters op passen en geen zandloper. En zelfs geen – godbetert – lijvige naslagwerken om de woordenstrijd te beslechten. Wel een schermpje met zo veel mogelijk pixels en een paar lenige vingers. De moderne variant van scrabble heet wordfeud en wordt gespeeld met smartphones.  En laat ik die nu, dankzij een vrijgevige provider, ook één bezitten.

Ik blijk niet de enige te zijn met heimwee naar de bordspelklassieker. Nu de stoffige doos een hippe, digitale opvolger heeft, komen ze uit hun holen gekropen, de letterleggers, de woordenwisselaars. Overal verschijnen oproepjes van wordfeuders op zoek naar tegenstanders. Op Twitter, op Facebook; de revival van hét woordspel is onstuitbaar. En dat is natuurlijk een goede zaak. Spellen met die handel, graven in die woordenschat! Ik zeg: alle middelbare scholieren verplicht wordfeuden met hun leraar Nederlands en er is weer hoop voor de Nederlandse taal.

Voor mij is een langgekoesterde wens uitgekomen. Voorbij zijn de tijden van smeken en leuren. Dankzij de digitale snelweg heb ik altijd mijn scrabble-bord op zak en is er altijd een tegenstander voorhanden. En een scheidsrechter trouwens ook. Hoeven we daar alvast geen woorden aan vuil te maken.

Ik werk weer aan mijn woordenschat. De winst tot op heden: kanaat, taxa en qat. Die krijg je alvast cadeau van me. Er is vast nog veel meer woordenleuks te ontdekken, maar daar moet je wel wat voor doen. En daarom daag ik je uit: wordfeud met mij! Voeg nu de daad bij het woord en ontdek zelf hoeveel woorden je nog kan maken met een Q of een X. Laat mij letterlijk alle hoeken van het speelbord zien en ik zal je belonen met mijn origineelste woorden. Erewoord!

Stop het schreeuwschrijven

“Ik heb er in zin!!!!!!!!!!!” schreef een vriendin.
“Fijne vakantie!!!!!!!!!!!!!!!” wenste een ander me.

Valt jou ook iets op aan voorgaande zinnetjes? Dat er meer uitroeptekens in staan dan letters? Wat is dat toch dat we massaal een zwaar vingertje krijgen als we op ons toetsenbord in de buurt van het uitroepteken komen?

Het uitroepteken is een fijn instrument in onze taal. En zó eenvoudig: men trekke een verticaal streepje, men zette daar een puntje onder en klaar is de bekrachtiging van uw zin! Of je doet shift 1 voor hetzelfde resultaat, maar dan digitaal. Het uitroepteken wordt, zoals de naam al zegt, gebruikt achter een uitroep; een korte zin of kreet met emotionele lading. ‘Help!’ of ‘Shit!’ bijvoorbeeld. Een uitroepteken geeft aan dat de voorafgaande woorden met enige stemverheffing dienen te worden uitgesproken. Een uitroepteken is de manier bij uitstek om die stemverheffing te vertalen naar geschreven tekst. En dat allemaal met één teken.

Prachtig dingetje dus, dat uitroepteken. Maar uit de functie vloeit als vanzelf dat we het bij uitzondering moeten gebruiken. We gaan tenslotte niet alles op hoge toon tegen elkaar verkondigen. Daar zijn onze stembanden niet op berekend. En het gehoor van de toegesproken persoon ook niet. Bovendien verliest zo’n uitroep al snel aan kracht als die meer regel dan uitzondering is. Zo lijkt het alsof we constant aan het bekvechten zijn of anderszins overdreven emotioneel uit de hoek komen. Is dat nou echt de manier waarop we aandacht willen vragen?

Nee, natuurlijk niet. We houden ons rustig en spreken op bedaarde toon. Want eigenlijk is alles wat we te melden hebben belangrijk. En we zijn allemaal beschaafde en weldenkende mensen die elkaar met respect behandelen. Die geëmotioneerde uitvallen bewaren we wel voor de momenten dat we echt gehoord willen worden (Hallo! Contact!) of we buiten onszelf zijn van vreugde (Hoera!), verdriet (Boehoe!) of woede (Klootzak! Kutwijf!). Wie altijd met klem communiceert, wordt heus niet meer serieus genomen.

Maar waarom doen we het als we schrijven dan wel? Ik begrijp het enthousiasme van mijn vriendinnen, ik ken ze tenslotte, maar waarom al die uitroeptekens in clusters van tien of meer achter ieder onbenullig zinnetje? Een woord schaamt zich toch rot als het zo’n hele rij leestekens achter zich ziet staan? Alsof het zelf helemaal geen betekenis meer heeft.

Tot voor kort zag ik het verschijnsel alleen in persoonlijke correspondentie en dan voornamelijk in e-mailverkeer. Op zich al geen pretje, al die toegeschreeuwde kattebelletjes, maar nu duikt het verschijnsel ook al in zakelijke correspondentie op. Zo kreeg ik laatst een uitnodiging voor ‘het evenement van het jaar!’. Een zakenpief nodigde me op hittepetitterig toontje uit voor zijn netwerkbijeenkomst met de termen ‘Mis dit niet!’, ‘Jij komt toch ook!’, ‘Meld je nu aan!’, ‘Parkeren is gratis!’, ‘Zet de datum in je agenda!’ en ‘Tot dan!’. En dat allemaal achter elkaar. “Nou, schreeuw niet zo! Ik ben niet doof!” fulmineerde ik in gedachten. Om zenuwachtig van te worden. Associaties met Emile Ratelband en Tjakka drongen zich op en ik bedankte zwijgend voor de eer door het epistel regelrecht aan papierrecycling toe te vertrouwen.

De devaluatie van het uitroepteken, is het een onontkoombaar proces? Ik hoop van niet. Gun ons, in deze maatschappij waar alles hard lijkt te moeten, het geschreven woord als toevluchtsoord, zonder dat de woorden oorverdovend van papier of beeldscherm knallen. Daarom mijn oproep: geniet van het uitroepteken, maar doe het met mate. Stop met schreeuwschrijven. Ssst, de buren slapen.

 

 

Een woord om van te smullen

Van alle dingen die leuk zijn in dit leven is taal wel echt léúk leuk. Want met taal kun je spelen. Je kunt ermee goochelen, knutselen, breien en boetseren. Taal is geen exacte wetenschap. Niks geen E=MC², maar een flexibel systeem dat meebeweegt met de gebruikers. Je kunt het opvoeden en veranderen al naar gelang de behoefte. Kom daar maar eens om in de natuurkunde.

Nee, dan taal. Je kunt twee woorden samensmelten tot één nieuw woord, je kunt experimenteren met voornaamwoorden, net zo lang tot Onze Taal het goed rekent, je kunt consequent zondigen tegen de regels voor de tussen-n, net zo lang tot de opstellers van het Groene Boekje zwichten, en je kunt compleet nieuwe woorden bedenken. En dat is maar goed ook, want de wetenschap staat ook niet stil en er is nogal eens een nieuw woord nodig.

Of je importeert het een en ander uit een andere taal of cultuur. Lekker hip. Een decennium of twee geleden kon je nog geen fittie hebben met je mattie. Althans niet in Nederland. Nu kun je kiezen: ruzie met je vriend, heibel met je maat, gebrouilleerd zijn met een kompaan of dus die fittie met je mattie. De menukaart van onze taal heeft voor ieder wat wils.

In mijn persoonlijke kring waart ook zo’n nieuw woord rond. Niemand weet echt waar het vandaan komt en – eerlijk is eerlijk – het heeft ook nog geen plaats in Van Dale kunnen veroveren, maar het heeft wel een duidelijke functie. Blerf is hét woord voor een onduidelijke substantie die kan variëren van vloeibaar tot halfvast, soms met vastere stukjes erin. Het slaat vaak op iets eetbaars of wat daar voor door moet gaan. Blerf klinkt een beetje als kotsen en dat is niet geheel toevallig, want een echte delicatesse is blerf meestal niet. En zie daar: daar zouden we wel eens de etymologische oorsprong te pakken kunnen hebben.

Soms is een woord zo alleszeggend dat je je erover verbaast dat het niet allang door iedere Nederlander, inclusief de opstellers van Van Dale, geadopteerd is. Blerf is zo’n woord. Wie eenmaal gewend is aan blerf herkent het uit duizenden en kan nooit meer zonder. Of je moet net als hierboven de moeite willen nemen om er een hele alinea aan te wijden. Maar zeg nou zelf: waarom moeilijk doen als het met één woord kan?

Stop, ander woord

Een verplichting, maar wel een leukeVoor het weekend stonden een bezoek aan een evenement, een afspraak met vrienden en een kinderverjaardag op de agenda. Twee dagen vol leuke, gezellige dingen en tussendoor nog even relaxen. Precies zoals een weekend voor mij moet zijn. En toen kwam er nog een uitnodiging: of ik zin had in een gezellig samenzijn inclusief diner met schrijfcollega’s, in Utrecht. ‘Zin wel,’ schreef ik terug, ‘maar geen tijd. Mijn weekend zit al vol met verplichtingen.’ Ik verzond het bericht en had meteen spijt van mijn woordkeuze. Want ‘verplichtingen’ heeft iets negatiefs in zich, vind ik. Iets verplichts, iets met moeten, iets opgelegds, en dat is nou juist niet wat ik over wilde brengen.

Ik kon niet meer terug, de mail was al verzonden en een halszaak vond ik het nou ook weer niet. Het woord wordt wel vaker in die context gebruikt. Maar het heeft me toch aan het denken gezet. Zou het niet leuk zijn als we met één woord aan konden geven dat de bedoelde ‘verplichtingen’ vooral erg leuk en gewenst zijn? Ik dacht aan ‘afspraken’, maar dat vind ik te neutraal. ‘Genoegens’, schoot me te binnen, maar dat vind ik te breed en te vrijblijvend. ‘Leuke plannen’, was mijn laatste bod, maar dat zijn dan weer twee woorden. Kijk ik er nou zo overheen of hebben we echt geen woord voor ‘leuke dingen die je op afspraak doet’?

Hoe zou jij ‘verplichtingen, maar dan leuk en uit vrije wil’ het liefst omschrijven? Met een bestaand woord of moeten we er iets nieuws voor bedenken?  Reageer!

Frêet op oew moers taol

Tilburgs Dikteej 2 nov 2011Ons oopaa, ons oomaa, ons paa èn ons moeder; ammòl Tilbörgers, èchte Krèùkezèèkers. Èn ikke dus ok. Mar ons moeder wò nie dègge dè ok aon ons kont heure. En dörrum moese wij hôoghòllaans praote tèùs. Die zaachte g, daor kwaame we mar nie vanaaf, mar ‘höllie’ in plaots van ‘zij’ en ‘gij’ vur ‘jij’, dè von ze nie zo jofel. En wè kwattastroojsel waar, dè wies toch gin man assie nie öt Tilbörg kwaam.

Ik waar nog mar en klèèn mèske toen al dèùdelek wier dèk ene taoleknobbel ha. Toen ik vur et irst naor de kleuterschool gewist waar, vroeg ons moeder: “Èn? Hoe was et?” “Hil goed”, zeej ik, “Ik kan al schrèève.” Èn dè waar en vurbòje van en schoolkarjèère waorin taole de boovetôon vuurde. Vur ons moeder ok en geruststèlling: dè plat Tilbörgs zotter zo wel ötgeramd worre.

Èn dè waar ok zôo. Mèn leeraare deeje der wèèrk zôo goed – èn ikke sewèèle ok – dègge bekaant nie kont heure waor ik vandaon kwaam. Ons moeder waar verrèkkes frêet op der dochter. Todèk in de vierde klas ene leraar Nederlands kreeg dieter en hil aandere kèèk op taol op nao hield. Irst vòn ik em mar enen appetjoek, den dieje. Wèttie deej waar de omgekirde wèèrelt. Et Aaveej Marieja, de gròndwèt, de kraant, al wèttie in zen haande kreeg, vertaoldenie in et Tilbörgs. Ge kunt oew èège wel vurstèlle dèk daor van stòn te kèèke. Ha ons moeder dan gin gelèèk?

In irste instaansie gaaf ik der gin sjoege aon. Et zo toch nie zo zèèn dèk al die moejte vur niks gedaon ha? Mar soms zattie, vurdè ons klas binnenkwaam, dingskes in et Tilbörgs te vertaole en dan bleef ik toch èkkes staon kèèke hoe dèttie dè deej. Soms liet ie dan heure hoe dèt klonk. Èn dè von ik zo verrèkkes leutig, dètter toch een vonkske ooversprong.

Meej men dieplooma op zak ging ik naor Amsterdam om te studeere aon de uunieversietèèt. Wir en taol, want dè waar waor ik goed in waar. Dus begon ik òn Zweeds. Ik waar de innigste Braobantse in et gruupke èn al die aander vonnen et ok leutig om naor mèn Tilbörgse zinnekes, as “Bettie akkum aai?” èn “Ik stòn tèène febriek en ik kossem nie bekweeke krèège” te löstere. Gelaage dèmme hèbbe!

Un hil jaor hèk in et taolepraktiekum gezeete, todèk de Zweedse taol maachteg waar. Wè denkte wè? Toen ik et algemeen beschaofd Zweeds onder de knie ha, begos et gemèùkel. We moese diejalèkte leere, want dès de lèèvende taol, zeeje ze daor. En ze zin ok dèk as Braobantse verrèkkes veul mazzel ha, omdèk die moejleke Zweedse klaanke al onder de knie ha. Èn toen viel bij mèn et kwartje.

Ik wit nie woar gij vandaon komt, mar bij jöllie hèbbe ze vast ok wèl zon tòltje dèt wèrd is om in lèève te houwe. Tis tòch en stukske kultuur dègge van oew aawlöj meegekreege hèt, zôo gezeet. Ge kunt er nog wel es vurdeel öthaole, nèffe dètter hil wè te laage valt meej die binnelaanse vrèmde taole. En daorum ben ik sinds dieje tèèd himmòl tweejtoalig: Nederlands en Tilbörgs, ik praot en schrèèf et allebaaj vloeiend.