Column: Ken ik u niet ergens van?

Ik weet niet wat het is, maar ze doet me wat. Altijd als ze langsloopt, houden mijn vingers even stil op het toetsenbord van mijn laptop en dan kijk ik naar haar. Soms ziet zij mij ook terwijl ik aan het werk ben in mijn thuiskantoor, maar meestal niet. En juist dan, op die momenten dat ze met haar blik op de trottoirtegels gericht gestaag doorstapt, volg ik haar met mijn ogen tot ze uit het zicht verdwijnt en denk: ‘Ken ik u niet ergens van?

Ik zie haar bijna elke dag. Soms kom ik haar tegen op straat en soms beent ze langs mijn huis. Zou ze in de buurt wonen? Dat moet haast wel. Kennen doe ik haar niet, dat weet ik zeker, maar ik zou haar uit duizenden herkennen. Want ze heeft iets vertrouwds, iets wat ik niet kan benoemen. Iets wat me een brok in mijn keel kan bezorgen als ze zo breekbaar en indringend naar me lacht. We hebben nog nooit een woord met elkaar gewisseld, maar altijd neemt ze de moeite om haar blik op te richten en vriendelijk naar me te knikken. Een woordeloze groet, met een lachende mond en glinsterende ogen die iets melancholisch hebben. En steeds ligt die vraag op mijn lippen, die vraag die ik niet durf te stellen.

Hoe vaak ik haar al niet voorbij heb zien komen, in zomer en winter, bij wind en regen, altijd te voet en altijd alleen. Soms draagt ze een zwarte halflange jas, soms een linnen broek en gympies. Ik graaf in mijn geheugen, maar het zegt me allemaal niets. En toch klopt er iets niet.

Ze is klein van stuk en tenger. Haar lange, donkere haar draagt ze altijd in een slordige knot in haar nek. Als ik voorzichtig mag schatten, te oordelen aan de groeven en lijnen in haar gezicht en haar iets voorovergebogen houding, dan denk ik dat ze vooraan in de zestig is. Ik ken ze wel, de zestigers zoals zij. De sporen van decennia, maar nog altijd kwiek en fit. Haar benen houden altijd een gelijkmatig, stevig tempo aan op weg naar Joost weet waar. Dikwijls heb ik me afgevraagd waar ze naartoe gaat, vaker nog waar ze vandaan komt.  Het antwoord blijft uit en de vragen worden talrijker.

Nu het kouder wordt, zie ik haar met een grote gebreide sjaal die ze iedere dag verder over haar oren trekt. Ze houdt hem op zijn plaats met haar schouders die ze hoog optrekt, haar handen zo diep in haar zakken dat ik de stof van haar jas zie trekken. Vanmorgen kwam ik haar weer tegen. Aan haar winters gerei had ze een muts toegevoegd; zo’n grof  gebreide waarvan je de rand naar believen kunt omslaan. Zo een die zich lekker over je oren voegt, in een kleur die haar van ver al die warme gloed gaf die ik vaak voelde als ik haar tegenkwam. Ik was verbaasd dat ik haar herkende op die afstand. De muts die haar donkere haar zo goed verborg, maakte haar anders. De kleur, besefte ik ineens, het was de kleur. De muts had de kleur van mijn moeders haar. In de twee stappen die ik nodig had om bij haar te komen, werd ze een ander mens. Haar postuur, haar manier van lopen, die ogen, die lach. In de langgerekte tel waarin we elkaar passeerden, viel alles op zijn plaats.

Achter mij stapt zij stevig door, weet ik als ik niet meer naar mijn voeten staar die plotseling stil gevallen zijn. Ik tuur achterom en steek onwillekeurig mijn hand uit. ‘Zeg…’, adem ik nauwelijks hoorbaar in de mist. Ze kijkt niet om. De rest van mijn vraag slik ik in. Ik weet het antwoord al.

 

2 Reacties

  1. wat mooi geschreven weer !
    Ik maak het elke dag mee…..mijn man is het evenbeeld van zijn vader: zijn houding, de manier waarop hij stapt,het zelfgedraaide sigaretje in zijn mondhoek terwijl hij ingespannen aan het werk is….zelf het fluitend ondefinieerbaar deuntje is hetzelfde….een dubbel gevoel steeds…….hij die er niet meer is……is er op de één of andere manier …toch nog… 🙂

    Rita Vansteelant op 10 december 2013 om 17:48
  2. Mooi verhaal Esther. Ik herken het. Op tv komt regelmatig een nieuwslezer die mij aan mijn vader doet denken. Zelfde ogen, zelfde trekken, zelfde wenkbrauwen. Bijzonder . . .

    Loes Westgeest op 10 december 2013 om 14:37